Vluchtelingencrisis vraagt om ander beleid

linksom_01
Door: Gerard Bosman

Vandaag de dag is ondanks de euro-crises de Europese Unie (EU) een van ’s werelds rijkste economische regio’s. Decennialang heeft een overweldigende meerderheid van de Europeanen in vreedzame democratische staten geleefd die hun fundamentele rechten waarborgden.

En toch voelen veel Europeanen zich bedreigd, niet door Rusland, dat zijn buurlanden op agressieve wijze bejegent, maar door vluchtelingen en andere migranten. Deze zgn. gelukszoekers komen hier in Europa het geluk zoeken dat wij hier zelf in onze verwendheid en naar binnen gerichtheid niet meer onderkennen.
Terwijl honderden bootvluchtelingen deze zomer in de Middellandse Zee zijn verdronken, zijn er in bijna iedere uithoek van Europa stemmen opgedoken die oproepen tot het sluiten van de grenzen, massadeportaties en de bouw van nieuwe muren en hekken. Het prikkeldraad (in Europa populair geworden in de Naziconcentratiekampen) is overal. In heel Europa zijn xenofobie en openlijk racisme aan de orde van de dag, en winnen nationalistische, zelfs extreem-rechtse partijen terrein. De spanningen tussen moslims en andere inwoners van de EU nemen toe, mede onder invloed van islamitisch geïnspireerd terrorisme en de westerse reactie daarop, maar ook door structurele achterstelling en segregatie in de meeste Europese lidstaten.

Het verzet tegen de migratie heeft mede te maken met de crisis in het multiculturele samenleven, het gevoel dat de eigen cultuur en fundamentele mensenrechten onder druk staan. Dat is nog eens versterkt door de financiële crisis en de eurocrisis. Doordat in de EU gekozen is voor een bezuinigingsreactie, is de werkloosheid en armoede sterk toegenomen. Nieuwe migranten worden daardoor nu meer gezien als bedreiging voor de kansen van de eigen inwoners op werk en een huis. Als migranten, ook al zijn het oorlogsvluchtelingen, sneller bediend worden dan zij zelf, volgt jaloezie en afgunst.

Onze waarden uit de Verlichting, die we te lang en nog te vaak als vanzelfsprekend aannemen, worden van binnenuit bedreigd. Terreurdreiging, antisemitisme, islamofobie, culturele segregatie en steeds openlijker discriminatie ondermijnen het cement van onze samenleving. De kwaliteit van een samenleving komt mede tot uitdrukking in de wijze waarin een samenleving met haar minderheden omgaat.
Tegelijkertijd is dit pas het begin van de crisis, omdat de omstandigheden die mensen ertoe aanzetten hun thuisland te ontvluchten alleen maar zullen verslechteren. En de EU, die veel van ’s werelds grootste en best uitgeruste verzorgingsstaten onder haar leden telt, lijkt erdoor te zijn overweldigd – politiek, moreel en administratief.

In 1948 is bij de opstelling van de VN-verklaring van de Rechten van de Mens onder meer het asielrecht als mensenrecht geformuleerd. Op grond van artikel 14 lid 1 van deze Verklaring heeft elk persoon het recht in andere landen asiel te zoeken en te genieten tegen vervolging. In de Conventie van 1951 (vaak het Vluchtelingenverdrag genoemd) wordt dit recht verder geconcretiseerd. Het verbiedt hen de asielzoekers uit te wijzen of terug te sturen naar het land van herkomst indien zij het risico lopen vervolgd te worden. De oorspronkelijke conventie bepaalde alleen de rechten van Europese oorlogsvluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog, uitgezonderd de uit Oost-Europa verdreven Duitsers. Het in 1967 opgesteld aanvullend Protocol van New York verwijderde alle eerdere geografische beperkingen uit het verdrag. Denemarken was het eerste land dat het verdrag ratificeerde, en nu hebben 147 staten ofwel het verdrag, het protocol of beide ondertekend.
Sinds die tijd zijn er vele vluchtelingencrises geweest: denk aan de bootvluchtelingen uit Vietnam, de Palestijnse vluchtelingenkampen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en de Bosniërs en Kroaten bij de oorlogen bij het uiteenvallen van Joegoslavië. En vele minder bekende, zoals de moslims die Myanmar (Birma) ontvluchten na boeddhistische terreur.

De crisis in Syrië heeft een nieuwe vluchtelingencrisis veroorzaakt. Maar het zijn niet alleen Syriërs die nu naar Europa vluchten, maar ook veel Eritreeërs, Afghanen, Irakezen, Malinezen, Gambianen en Nigerianen, en ook Serviërs en Kosovaren. Laatstgenoemden worden overigens nog maar zelden toegelaten. De aantallen, maar ook de indringende beelden van kinderen die verdrinken en vluchtelingen die gestikt zijn in een vrachtwagen, verdelen Nederland en Europa in hen die de vluchtelingen willen tegenhouden en terugsturen en hen die de vluchtelingen een goed welkom willen bieden.
De VVD heeft – in een poging de PVV de wind uit de zeilen te nemen – een plan gemaakt dat voorziet in het sluiten van de Europese buitengrenzen en alle opvang in de regio. Er is geen zinnig mens die gelooft dat dit kan: grenzen sluiten betekent alleen maar meer illegale en nog gevaarlijke vluchtroutes en hogere winsten voor de mensensmokkelaars en de regio zit al overvol met vluchtelingen.
Maar de vluchtelingen een goed welkom bieden betekent op korte termijn extra druk op sociale woningen, werk, onderwijs, zorg etc. Naast verdringingseffecten en de extra gelden die dit vraagt is er ook nog de integratieproblematiek en de spanningen die er in Europa zijn tussen moslims en niet-moslims. Het is een bijna onontwarbare knoop.

Meer gezamenlijke hard power en effectievere soft power in Europa nodig
Het is bij een ingewikkeld probleem altijd goed om bij het begin te beginnen. Het begin is als het om vluchtelingen gaat de al jaren toenemende onveiligheid, onderdrukking en achterstelling in de regio’s direct aan de Europese buitengrenzen: West, Noord- en Noordoost-Afrika, het Midden-Oosten, de voormalige lidstaten van de Sovjet-Unie. Nu de Verenigde Staten van Amerika (VS) onder president Obama niet meer overal de politieagent van de wereld wil spelen neemt Europa zijn natuurlijke rol niet in. In de Arabische Lente bleef de Europese Unie teveel toeschouwer, en waar het ingreep (in Libië) liet men na het verdrijven van de dictator het land weer aan zijn lot over, en bij de invasies in Georgië en Oekraïne stond het machteloos toe te kijken.
De EU heeft zich altijd laten voorstaan als een humaner, beter alternatief dan de aanpak die de VS voorstond: de VS begonnen altijd meteen met hard power, de macht om zaken af te dwingen – de (dreiging van de) militaire optie; de EU gelooft in soft power, de macht van argumenten en overreding – de weg van diplomatie en ontwikkeling naar vrede . De werkelijkheid was dat beide powers elkaar nodig hebben om tot echte successen te komen. Zonder Amerikaanse militaire bescherming was de Europese naoorlogse vrede, waarvoor de EU de Nobelprijs kreeg, nooit mogelijk geweest – zo weten we nu uit de geopende Sovjetarchieven. En anderzijds, met alleen de militaire optie is duurzaam succes nagenoeg uitgesloten, zie Irak, Afghanistan en Somalië.
De zwakte van Europa is het spiegelbeeld van de zwakte van de VS: de eerste te weinig hard power, de laatste te weinig soft power. Dat Europa weinig hard power heeft is natuurlijk in de eerste plaats omdat de EU-lidstaten niet meer de middelen konden en wilden opbrengen om mee te doen met de wapenwedloop in de Koude Oorlog. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hebben nog steeds kernwapens, maar militair gezien zijn ze op zijn best tweederangs mogendheden, ver achter de VS, Rusland en China. In de jaren 1950 was er een vergevorderd plan voor een Europese defensie: de gemeenschappelijke uniformen werden al ontworpen, alle troepen van Frankrijk, West-Duitsland, Italië en de Benelux zouden worden overgedragen aan een Europese Defensiegemeenschap . Het idee was dat West-Duitsland in het kader van de Koude Oorlog herbewapend moest worden, maar dan wel goed ingekapseld in een Europees verband. Nadat de Korea-oorlog werd bedwongen met een nog altijd voortdurende wapenstilstand, Stalin stierf, en Frankrijk in Vietnam verloor, won echter het Franse nationalisme van de gaullisten het van het Franse Europa-idealisten (van de socialistische partij) – de gaullisten dwongen af dat er niet gestemd zou worden over de ratificatie van het door alle lidstaten ondertekende verdrag (direct na de stemming hieven ze de Marseillaise aan). Andere lidstaten zagen daarna er ook van af.

Gezien haar huidige zwakte op buitenlands-politiek gebied oefent Europa slechts weinig invloed uit op de oorlogen en conflicten die in Afrika en het Midden-Oosten woeden. Deze verlamming brengt een aanzienlijk risico met zich mee voor de EU. Nu gaat het alleen nog over een grote vluchtelingenstroom en de dreiging van terreur vanuit islam-extremisten. Maar Rusland is een reële, ouderwetse buitenlandse bedreiging geworden die niet aarzelt met dreigementen om geen gas meer te leveren, om burgers van andere landen te ontvoeren, om gevaarlijke vlieg- en bootacties uit te voeren in het Europese luchtruim en wateren, en zelfs om rechtstreekse invasies uit te oefenen vlak aan onze buitengrenzen (Georgië, Oekraïne). Het heeft zeer onlangs gedreigd kernwapens te plaatsen in de Russische enclave Kaliningrad en in Wit-Rusland, en steunt nu actief met bombardementen de Syrische dictator Assad, die met zijn vatenbommen de voornaamste veroorzaker is van de huidige Syrische exodus.
Er zijn drie afzonderlijke oorzaken voor de huidige migratie naar Europa: de aanhoudende economische malaise op de westelijke Balkan; de onrust in het Midden-Oosten; en de burgeroorlogen en conflicten en blijvende grote armoede in Afrika – de economische groei komt daar maar ten goede aan een kleine bovenlaag en de modernisering van de economie blijft achter, terwijl de bevolking enorm snel blijft groeien en democratie, goed bestuur en mensenrechten bijna nergens gerespecteerd worden. Schaarste aan voedsel, schoon water en andere grondstoffen zal de komende periode bij ongewijzigd beleid in die regio’s enorm toenemen, hetgeen tot grote interne spanningen zal leiden binnen en tussen landen. Intensivering van de oorlog in het oosten van Oekraïne zou snel tot een vierde reden om te vluchten kunnen uitgroeien. Deze regio’s zijn van groot strategisch belang voor Europa en zouden centraal moeten staan in een assertiever en intensiever gezamenlijk Europees buitenlands beleid.
De soft-power van Europa moet geloofwaardiger worden met een Europees geïntegreerd buitenlands beleid, een humaner en effectiever asielbeleid, meer hulp aan vluchtelingen en meer en effectievere ontwikkelingssamenwerking (het is een schande dat de huidige vluchtelingenopvang in ons land wordt gefinancierd door een verdere verlaging van het budget van ontwikkelingssamenwerking – dat nu zelfs daalt tot 0,5% van het BBP), en worden versterkt met hard-power van een moderne, effectieve, gezamenlijke Europese defensie. Daartoe zullen ook de nationale defensie uitgaven veel forser verhoogd moeten worden dan nu gebeurt. Alleen in combinatie met een geloofwaardige militaire potentie maakt een Europees diplomatiek offensief een kans.

In Syrië dreigt nu een nieuwe patstelling tussen partijen die door steun van diverse mogendheden niet kunnen verliezen maar ook niet kunnen overwinnen. Het regime van Assad is schuldig aan genocide – eerst met gifgas, nu met vaatbommen (meer dan 20.000 bommen en 6000 burgerdoden in de afgelopen elf maanden) – en is zelfs binnen de Arabische wereld qua organisatie en meedogenloosheid van de Syrische politiestaat een klasse apart. Bovendien heeft Assad geleerd van zijn vriend Poetin en grote delen van de staatseconomie geprivatiseerd aan de maffiosi van het regime. Zijn regime is verantwoordelijk voor het overgrote deel van de vluchtelingen (IS heeft vooral dun bevolkte gebieden in bezit). De helft van de Syrische bevolking is inmiddels van eigen huis gevlucht, 260.000 Syriërs zijn gedood. Door de totale ineenstorting van de Syrische staat kon vervolgens IS ontstaan (mede ook dankzij het rampzalige beleid van Bush in Irak). Maar anders dan Irak is Syrië geen puinhoop waarvoor de VS verantwoordelijk gesteld kunnen worden. Dus is Obama terughoudend met interventies, er is onvoldoende ‘urgent nationaal belang’. Maar wat dan? Over voormalig Joegoslavië zij men eerst in de VS: ‘Laat het vuur uitbranden’. Dat werkte niet. In Syrië zal het ook niet werken. Al was het maar om de grote zorg van Europa: de vluchtelingen. Zij keren niet terug zolang Assad aan de macht is. De wanhopige impasse is een voedingsbodem voor sektarisme en soennitisch extremisme. Het Westen is er niet in geslaagd met een overtuigend tegenverhaal en bijbehorende daden tegenover dat van Rusland en Iran (die beiden Assad steunen, al was het maar om Amerika op afstand te houden, en die beiden het soennitisch extremisme van IS als grootste gevaar zien) te komen. De kloof tussen de traditionele bondgenoten van de VS in de regio (Turkije, Israël, Saoedi-Arabië, de Golfstaten en Egypte) groeit. We hadden onze kernwaarden van mensenrechten moeten bevorderen. Nu moeten we onze nederlaag erkennen: deze waarden zijn gecompromitteerd, wellicht fataal, en teloorgegaan in de stofwolken van de realiteit in het Midden-Oosten, zo schreef Marcel Kurpershoek (tot voor kort speciaal Nederlands gezant voor Syrië) zeer onlangs in de NRC. Toch is er geen alternatief voor een veel meer activistische en assertievere Europese bemoeienis met het Syrische conflict: de vluchtelingenstromingen en de terrorismedreiging, alsook de Russische connectie maken dat dit conflict voor Europa wel degelijk een ‘urgent nationaal belang’ zou moeten zijn. En om herhaling te voorkomen moet een veel actiever preventiebeleid voeren in andere nabije regio’s, zoals West- en Noord(oost)-Afrika, en ten aanzien van de bedreigingen uit Rusland naar landen die Rusland beschouwt als zijn achtertuin, terwijl de burgers daar daarvan in overgrote meerderheid niets van willen weten.

De EU moet een gezamenlijk buitenlands beleid voeren op in ieder geval de volgende punten:
(a) snelle afschaffing van EU tariefmuren voor arme landen (met name in Afrika) die de veiligheid en stabiliteit in de regio bevorderen, meewerken aan democratisering en goed bestuur en aan het EU-migratiebeleid, gecombineerd met Europese noodhulp en effectieve Europese ontwikkelingssamenwerking met arme landen (met name in Afrika), zoveel mogelijk in samenwerking met VN-instituties, en gericht op realisatie van de nieuwe VN-ontwikkelingsdoelen en het helpen in het bestrijden van de effecten van de klimaatcrisis (met name een steeds groter tekort aan drinkwater en voedsel) die onevenredig juist de arme landen treffen;
(b) een interventiemacht met deelname vanuit de EU, de VS, Turkije en de Arabische landen die safe havens en een no-fly zone afdwingen boven bevrijde regio’s in Syrië en Libië en mensensmokkelaars opspoort op de Middellandse Zee – desnoods zonder expliciete instemming van de Veiligheidsraad. Gecombineerd met een Europees vredesinitiatief voor Syrië met betrokkenheid van Iran, de Golfstaten (incl. Saoedi-Arabië), Turkije en Rusland gericht op in de eerste plaats het stoppen van gewelddadigheden en consolidatie, en vervolgens naar een overgangsregime waarin machtsdeling en federalisatie van Syrië tussen Assadisten (zonder zijn persoonlijke betrokkenheid), de gematigde oppositie en de Koerden gerealiseerd worden, en waarbij Europa vooral inzet op garanties voor waarden die wij een universele toekomst toewensen, zoals een democratische rechtstaat, (religieuze) tolerantie en bescherming van mensenrechten, en er ondertussen gestart wordt met wederopbouw met een Marshallhulpachtig plan, met middelen vanuit in ieder geval de genoemde betrokken landen, plus de EU en de VS, die tezamen ook de naleving van een wapenstilstand en verdere afspraken garanderen;
(c) een gecoördineerde Europese (gezamenlijk met onze bondgenoten) militaire, juridische en financiële aanpak van IS, Al Qaida en gelijksoortige terroristische bewegingen in Afrika en Azië en een gezamenlijke Europese strategie en inzet voor beëindiging van de conflicten in Afrika, inclusief de onderdrukking van burgers in Eritrea, desnoods met inzet van onconventionele middelen als gerichte humanitaire interventie, en een gezamenlijke geloofwaardige inzet op democratisering, mensenrechten, goed bestuur en minder economische ongelijkheid in nu overwegend totalitaire staten in het Midden-Oosten;
(d) een versterkte inzet op modernisering en integratie, met nadruk op bestrijding van corruptie en de bevordering van de democratische rechtsstaat, van de Westelijke Balkan in de EU (en met een langere termijn horizon ook op andere staten aan onze oostgrens zoals Oekraïne en Moldavië); en
(e) een effectieve en assertievere reactie op de dreigingen uit Rusland. Volledige en controleerbare uitvoering van de Minsk-akkoorden en een oplossing voor de illegale bezetting van de Krim moet worden afgedwongen met verdere sancties, zoals tegen Gazprom en het financiële verkeer, en ook een boycot van grote sportevenementen in Rusland. Nu al moeten de Russische brievenbedrijven in Nederland worden aangepakt. Het Oekraïense leger moet worden geholpen met defensieve bewapening en trainingen. In het uiterste geval moeten zelfs blokkades voor militaire vaartuigen en militair vliegverkeer (incl. transporten met militair materiaal) overwogen worden voor de Russische enclave Kaliningrad, of zelfs de gehele Oost- en Noordzee, en de Bosporus, of zelfs de gehele toegang tot de Middellandse Zee. Ondertussen moet de politieke, diplomatieke en culturele dialoog doorgaan en de positie van Russische minderheden in andere Europese landen beschermd worden tegen discriminatie. Wederzijdse modernisering van kernwapens moet door overleg en een nieuw verdrag worden tegengegaan.

Meer en beter Europa nodig, ook op het gebied van migratie
Europa richtte zich na het mislukken van het eerste Europese Defensieverdrag in 1954 op economische integratie, waarbij in het begin vooral de Frans-Duitse pacificatie voorop stond. Europa is begonnen in 1952 met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal – kolen en staal waren de basis voor de oorlogsindustrie. Door die onder supranationaal gezag te plaatsen zou een belangrijke stap naar vrede worden gezet. En door één beleidsterrein onder supranationaal gezag te plaatsen, zouden volgens de oprichters (Jeanne Monnet voorspelde het toen al) bijna als vanzelf meerdere beleidsterreinen volgen – hetgeen ook inderdaad het geval was. Om het proces van integratie niet af te remmen of zelfs op te blazen, werd het debat over de finalité, het beoogde eindstation van de EU (een samenwerkingsverband van soevereine lidstaten, een federatie, of zelfs een Europese eenheidsstaat; en ook de geografische begrenzing: zie de discussies over uitbreiding van het lidmaatschap met de nog resterende niet-lid zijnde Balkanstaten, Turkije en de voormalige Sovjetstaten Georgië, Moldavië en Oekraïne) al die jaren daarna bewust vermeden. Integratie werd doel op zich, een autonoom proces en een historische wetmatigheid. Bovendien is de Unie na bijna 65 jaar toenemende ontwikkeling zo complex geworden dat er eigenlijk verschillende unies naast elkaar bestaan – de Schengen landen en de Eurolanden zijn verschillende verzamelingen lidstaten, en sommige EU-lidstaten maken van beide geen deel uit, en de deskundigen/betrokkenen bij de Europese interne marktwerking hebben nauwelijks contact met die van het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid of met die van het gemeenschappelijk justitiebeleid. De gefragmenteerde discussie draagt bij aan het ontbreken van een gedeelde visie op het Europese eindstation. Hierdoor is vrijwel niemand in staat beleidsstappen en Europese maatregelen in een breder perspectief te plaatsen en aan de burger uit te leggen. Dit maakt het proces van integratie kwetsbaar en geeft ruimte aan de vorming van mythes en onwaarheden over Europa.

Het Europese proces heeft de Europese burgers veel gebracht: ik zelf behoor tot de eerste generatie Europeanen die zelf geen oorlog meer hebben meegemaakt op het grondgebied van de EU. De welvaart en het welzijn van onze burgers is voor een belangrijk deel gebaseerd op het ontwikkelingsmodel van de EU. Het Europese model werd zelfs een ideaalbeeld bij progressieve Amerikaanse intellectuelen en heeft nog steeds een enorme aantrekkingskracht op met name jongeren overal in de wereld (zie de migrantenstromen) en op landen op het Europese subcontinent die nog geen lid zijn van de Unie – nieuwe lidstaten getroosten zich enorme en steeds toenemende inspanningen om aan de eisen voor lidmaatschap te voldoen. Ook in Afrika, Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië zijn landen met unies begonnen die in belangrijke mate geïnspireerd zijn op het model van de EU. Progressieve Amerikanen benadrukken dat terwijl het Amerikaanse model nog steeds nadruk legt op ongeremde economische groei, het nastreven van eigen belang en persoonlijke rijkdom, het Europese model zich meer zou richten op duurzame ontwikkelingen en kwaliteit van het leven. De Europese waarden van mensenrechten, humaniteit en tolerantie, een getemd kapitalisme, sociale verzorgingsstaat, scheiding van kerk en staat, de democratische rechtsstaat worden overal bewonderd – alleen steeds minder in Europa zelf.

Sinds in 2004 de Europese Grondwet tot verrassing van de Europese elite werd weggestemd is de crisis in Europa voor iedereen duidelijk geworden. Europese politiek is belangrijk geworden, ook voor de media – maar vooral om te controleren of er niet nog meer bevoegdheden en gelden worden overgedragen. Voor 2004 was Europa voor velen nauwelijks een item, nu is het een prooi van onderbuikgevoelens en het sentiment tegen nationale politieke elites. Er is nog nooit zoveel democratie geweest (het Europees Parlement heeft verregaande bevoegdheden verkregen en dwingt steeds meer beleid af, en de nationale parlementen hebben zich ook nog nooit zoveel met Europees beleid bezig gehouden), maar tegelijkertijd is de kritiek op het zgn. ‘democratische tekort’ nog nooit zo groot geweest – krachtig bevorderd doordat regeringsleden in Brussel iets anders zeggen dan in hun eigen land.
Tegelijkertijd zijn de tekortkomingen van de EU veel duidelijker voor het voetlicht gekomen met vooral de Eurocrisis. De belangrijkste zijn dat een monetaire unie niet zonder politieke unie duurzaam kan overleven en dat een economische unie niet zonder sociale unie kan. Bovendien wordt steeds pijnlijker duidelijk dat veel van de problemen waarmee Europa kampt (werkloosheid, belastingontduiking, onbeheersbare financiële markten, energie en milieu, migratie, criminaliteit, bedreigingen van buiten Europa), zich niets aantrekken van nationale landsgrenzen en tenminste een Europese aanpak vergen.

De logische conclusie is dat alleen meer en een beter Europa de oplossing kan zijn, maar het sentiment tegen de EU is inmiddels zo groot dat feiten en logische redeneringen er minder toe doen dan goed is voor ons land en voor Europa. Zie de onzin die over de steun aan Griekenland en nu weer tegen een associatieverdrag met Georgië, Moldavië en Oekraïne wordt verkondigd door haatdragende nationalisten zoals de PVV, maar ook de steun die partijen als de SP en de PVV geven aan ‘minder Europa’ in plaats van ‘een beter Europa’ – soms ook als voorwaarde om een beter Europa af te dwingen (geen ‘meer Europa’, zolang we niet eerst een ‘beter Europa’ gerealiseerd hebben). Het probleem met deze laatste strategie is dat een ‘beter Europa’ niet kan bestaan zonder ‘meer Europa’: als we delen van werkgelegenheids- en sociaal beleid aan Brussel overdragen is dat zowel een beter als meer Europa.
Op Europees niveau moet werk tenminste een gelijkwaardig beleidsdoel aan het begrotingsdoel worden, zoals ook al in ons Europees verkiezingsprogramma werd bepleit. Europa moet ook op sociaal terrein triple AAA worden. In het EU-verdrag moet daartoe een stevige sociale pijler komen. De sociaal-economische verschillen tussen de lidstaten en de ongelijkheid binnen de lidstaten moeten gericht bestreden worden. Er is extra Europese wetgeving nodig om verdringing van werk op basis van ontduiking van nationaal geldende arbeidswetgeving verder tegen te gaan. Uiteraard moet het Europees Parlement op deze terreinen instemmingsrecht krijgen.

De migratieproblemen in Europa zijn deze zomer ineens de focus van Europese en nationale politiek geworden. Als er één ding duidelijk is, is het wel dat we dit alleen Europees enigszins succesvol kunnen aanpakken. Het grootste deel van Europa behoort tot de Schengenlanden: binnen deze regio zijn geen interne grenscontroles meer. Dat heeft Europa – en Nederland als handelsnatie in het bijzonder – veel gebracht. Alleen de PVV en aanverwante trawanten willen hier vanaf, hetgeen zou leiden tot veel extra verlies aan werkgelegenheid, een toename van armoede en internationaal isolement. Maar geen binnengrenzen betekent wel dat de buitengrenzen gemeenschappelijk beheerd en bewaakt moeten worden – niet alleen om migratie te kunnen reguleren, maar ook om criminaliteit en terrorisme te kunnen bestrijden. Niemand gelooft serieus dat afzonderlijke lidstaten – met name Italië en Griekenland, de twee meest getroffen landen, of ook niet Hongarije, dat een goede derde aan het worden is – de problemen die het gevolg zijn van grootschalige migratie op de langere termijn op eigen kracht kunnen oplossen. Voor migratie betekent een gemeenschappelijke buitengrens dat het zgn. Verdrag van Dublin ook achterhaald is (volgens dit verdrag moeten vluchtelingen in het eerste land van aankomst binnen de EU asiel aanvragen en kunnen andere lidstaten hen daar naar terugsturen. De lidstaten van eerste aankomst zijn verplicht deze asielaanvragers te registreren en eerlijk te beoordelen en hun – bij erkenning van de vluchtelingenstatus – in eigen land op te nemen en gelijk als hun eigen burgers te behandelen) en dus moet worden vervangen.
De lasten van grensbewaking en van eerste opvang van vluchtelingen moeten gezamenlijk naar draagkracht door alle lidstaten worden gedragen. Ook moet er een gezamenlijk asielbeleid zijn met gelijke criteria en zgn. veilige landen, gelijke normen (en transparant Europees toezicht) voor humaan verblijf en (snelle) procedure, gelijke rechtsbescherming en een gelijk terugkeerbeleid. En een gezamenlijke intensivering van de opsporing en bestraffing van mensensmokkelaars. De criteria van het vluchtelingenverdrag moeten daarbij leidend blijven. Er moeten gezamenlijke jaarlijkse gezamenlijke openbare landenrapportages komen, op basis waarvan categoraal toelatingsbeleid voor vluchtelingen door het Europees Parlement moet worden vastgesteld. Gevluchte kinderen van asielzoekers krijgen altijd onderwijs. Er is een gezamenlijk inburgeringsbeleid. Illegaliteit is in de gehele EU niet strafbaar. Basisvoorzieningen (wonen, onderwijs, zorg, zo snel mogelijk werk, een sociaal vangnet) worden Europees gegarandeerd. Het Europees Parlement krijgt op al deze terreinen instemmingsrecht.
Aan de buitengrenzen op land, en overal aan de Afrikaanse en Aziatische kusten van de Middellandse Zee – van Marokko tot en met Turkije – moeten centra komen waar vluchtelingen zich kunnen melden voor asiel in de EU. Dit voorkomt mensensmokkel en gevaarlijke reizen, die bij de nu voorgenomen centra in Griekenland en Italië wel blijven bestaan. Toelating moet transparant plaatsvinden op basis van openbare criteria van urgentie, waar in redelijkheid een (langer) verblijf in opvang in de regio niet gevergd kan worden – de uitvoering daarvan moet ruimhartig gebeuren.
De toegelaten vluchtelingen moeten volgens een vaste verdeelsleutel over de lidstaten verdeeld worden en met veilig vervoer overgebracht worden. Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met voorkeuren, vooral in geval van familiehereniging. Recht op werk en sociale zekerheid bestaat er alleen in de lidstaat waartoe men is toegelaten, tenzij een andere lidstaat een werkvergunning verstrekt. Na een aantal jaren vervallen deze beperkingen, mits men voldoende ingeburgerd is. Dit is deze maand ook in Brussel afgesproken, maar nu slechts voor een beperkte groep van 160.000 vluchtelingen – het is ten onrechte nog geen standaardprocedure geworden. Vluchtelingen die zich op andere plaatsen melden in de EU moeten op gelijke wijze behandeld worden.
Steun aan vluchtelingenopvang in de regio moet Europees georganiseerd en gefinancierd worden. Daar moet veel meer geld naar toe, met name in het Midden-Oosten (Libanon, Jordanië, Turkije, Irak en bevrijde en door het Westen beschermde, bevrijde gebieden in Syrië). Dat moet ook meer rechtstreeks naar de opvang zelf en naar lokale gemeenschappen daar. Er moeten standaarden voor deze opvang komen waarbij voorzien wordt in adequate huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en dagbesteding, met speciale aandacht voor kinderen. Bij bevrijding van het gebied waaruit zij gevlucht zijn krijgen ze ondersteuning om weer terug te keren en hun leven weer op te bouwen.

Geef arbeidsmigranten ook meer ruimte. De EU moet verdragen bevorderen tussen EU-lidstaten en landen waar arbeidsmigranten vandaan komen (met name uit West Afrika), met een soort Green Card systeem, waarbij bij tekorten op de arbeidsmarkt in een lidstaat bepaalde groepen recht krijgen op gegarandeerd tijdelijk werk en verblijf, met beperkte rechten op sociale zekerheid en zonder rechten op familiehereniging. Ze tekenen voor terugkeer na afloop van de periode, tenzij ze een aanbod krijgen van de betreffende lidstaat om langer te blijven. Na verloop van tijd bij verlenging van verblijfsrecht bouw je wel meer rechten op. Tegelijkertijd regelen deze verdragen hulp en begeleiding bij terugkeer, investeringen in onderwijs en de economie van de vertrekkende landen, en voorlichting over de risico’s van illegale migratie en de mogelijkheden om in eigen land een betere toekomst te verwerven. In de landen van herkomst en in de hiervoor genoemde centra komen EU aanmeldcentra voor deze tijdelijke arbeidsmigranten. De selectie gebeurt transparant op basis van openbare criteria. Ze keren terug met werkervaring, eventueel een opleiding, mogelijk wat spaargeld en een redelijke terugkeerbonus om daarmee lokaal in eigen land verder aan de slag te gaan met hun toekomst en die van hun land. Toenemende tekorten in de EU, door de vergrijzing, met name in de landbouw, de (ouderen)zorg en sommige industriesectoren, kunnen zo worden tegengegaan, zonder dat werklozen in de lidstaat van werk verdrongen worden. Voor de arbeidsmigranten betekent het een legale optie, zonder veiligheidsrisico’s en veel geld aan mensensmokkelaars. Met de opgedane ervaring en opleiding in de EU kan men trots en met meer kans het leven in het eigen land daarna weer hervatten. Dit systeem, dat door veel migratiedeskundigen wordt aangehangen, geeft een middenweg tussen het huidige Nederlandse systeem (weinig kans binnen te komen, maar als je binnen bent heb je alle rechten) en het systeem zoals bijv. in de Golfstaten (veel kans om binnen te komen, geen enkel recht). Tegelijkertijd wordt het toezicht op werkgevers om illegale arbeid op te sporen en zwaar te bestraffen geïntensiveerd.

Beter en ander beleid nodig in Nederland
De opvang van veel vluchtelingen komt in een tijd dat ons land en vele andere EU-lidstaten nog niet hersteld zijn van de crisis. De werkloosheid is hoog, de langdurige werkloosheid en armoede in ons land neemt nog steeds toe, al de (dan ook onterechte) feestvreugde bij de jongste Rijksbegroting ten spijt. De gemiddelde wachttijd voor sociale woningbouw is nu 8 jaar en neemt nog steeds toe. Het onderwijs laat weten nu al een tekort te hebben aan leraren om kinderen de Nederlandse taal te kunnen leren en de integratie van het speciaal onderwijs in het zgn. passend onderwijs blijkt niet te passen in het bestaande budget. Het kabinet moet dus eindelijk deze noden eens aanpakken, nu er een nog groter beroep op zal worden gedaan. Dreigende verdringingseffecten zullen het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen anders verder ondermijnen.
De vraag of de huidige immigranten, vooral vluchtelingen, een probleem vormen houdt deskundigen, politici en opiniemakers verdeeld. Partijgenoot en SCP-directeur Kim Putters stelde deze maand in Trouw dat de overheid burgers die zich ongemakkelijk voelen over de sterk gestegen asielstroom voor voldongen feiten stelt: ‘De besluiten worden niet altijd genomen door de mensen die ook de gevolgen dragen’, zei Putters. Er is geen kosten-batenanalyse voorhanden van asielzoekers die een verblijfsstatus hebben of genaturaliseerd zijn. Het is ook een beetje een taboe-vraag: je vangt ze op uit humanitaire redenen, ongeacht wat ze kosten. Toch wordt er veel over gespeculeerd en met cijfers gegoocheld. Kon men tot voor kort stellen dat het geleuter over massa-integratie duidelijk in strijd was met de feiten, er lijkt nu toch wel degelijk wat aan de hand te zijn en het lijkt naïef te verwachten dat dit snel – anders dan tijdelijk door slechte winterse weersomstandigheden – zal verminderen. Leo en Jan Lucassen (hoogleraar sociale geschiedenis Universiteit Leiden en voorzitter van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM) respectievelijk bijzonder hoogleraar Vrije Universiteit en verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis) concluderen in Winnaars en verliezers – een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie (2011) dat puur financieel gezien Nederland in zijn algemeenheid sterk geprofiteerd heeft van de hoger opgeleide migranten en van de Oost-Europeanen die sinds het begin van deze eeuw de arbeidsmarkt zijn komen versterken. Voor asielzoekers geldt dat volgens hen veel minder vanwege het gevoerde restrictieve vreemdelingenbeleid, met ellenlange procedures en een verbod op werken en studeren zolang men niet erkend was. In plaats van te profiteren van deze vaak hoog opgeleide nieuwkomers zijn er volgens hen tientallen miljoenen euro’s uitgegeven aan grenscontroles, asielbureaucratie, opvangkampen en uiteindelijk uitkeringen voor menig gedesillusioneerde nieuwkomer. Wat betreft de eerste generatie gastarbeiders concluderen zij dat deze in de periode 1956-1973, uitgenodigd door VVD-regeringen en werkgeversorganisaties, een grote bijdrage hebben geleverd aan de groei van het nationaal inkomen in deze periode. Maar velen van hen werden in de jaren 1980 werkloos, en de meesten kwamen daarna ook nooit meer aan het werk – uiteindelijk heeft de helft meer gekost aan uitkeringen dan ze aan premies hebben afgedragen. Hun kinderen daarentegen, ondanks (jeugd)criminaliteit, werkloosheid en schooluitval onder een deel van hen, dragen zeker op de langere termijn zonder enige twijfel netto bij aan de groei van ons nationaal inkomen. En voor veel gastarbeiders heeft de komst naar ons land voor henzelf ontegenzeggelijk winst opgeleverd. Vooral voor hun kinderen, en dan weer in het bijzonder voor meisjes, die meer kansen lijken te grijpen dan hun broers en neven. Maar ook de jongens gaan vooruit: de meeste jongens hebben inmiddels wel werk, komen niet in aanrijking met de politie en presteren steeds beter op school, hoewel een hardnekkige onderklasse van met name Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse en Turkse jongens resteert. Ook sociaal-cultureel is er sprake van verlies en winst. Volkswijken veranderden snel en vele oorspronkelijke bewoners voelden zich er niet meer thuis. Dit stimuleerde de ‘witte vlucht’, bijv. naar Ridderkerk vanuit Rotterdam, hoewel die uitstroom naar betere buurten al voor de massale immigratie van gastarbeiders in deze buurten ruimschoots op gang was gekomen. Ook is er verlies voor vrouwen en homo’s die na de snelle emancipatie in de jaren 1970 en 1980 worden geconfronteerd met intolerant en soms ronduit misdadig gedrag van in Nederland geboren jongeren met een Marokkaanse of Turkse achtergrond. in steden als Amsterdam zijn daarnaast ook nog orthodoxe joden een mikpunt van pesterijen.

De internationale radicalisering van een klein deel van de migranten uit landen als Marokko, Somalië en Turkije in de afgelopen 15 jaar heeft voor sommigen die openlijk kritiek uitten op de islam verregaande gevolgen gehad, met de moord op Theo van Gogh en de aanslagen op de redactie van het Franse satirische blad Charlie Hebdo als tragische dieptepunten. Meerdere personen zijn bedreigd, en ook de noodzaak van voortdurende bewaking van Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali zijn niet anders dan als verlies te typeren – niet alleen voor henzelf, maar ook voor de kwaliteit van de democratie en het publieke debat. Gelukkig is het aantal islamitische extremisten in ons land zeer beperkt (zie Monitor Racisme & Extremisme) – in dat opzicht lijken critici die alle moslims over één kam scheren, en moslims die het zelfde doen met ‘westerlingen’ (als aanhangers van een decadente individualistische beschaving op haar retour) meer op elkaar dan ze zichzelf realiseren.
Overigens lijken we wel vergeten dat agressie tegen homo’s en vrouwen tot in de jaren 1970 veel voorkwam onder Nederlanders. Homo’s en hun sympathisanten die meeliepen tijdens de eerste roze zaterdagen begin jaren 1980 werden uitermate agressief bejegend door de lokale Nederlandse jeugd, niet zelden opgehitst door hun ouders. Blijf-van-mijn-lijfhuizen werden niet door moslimmannen, maar door doodgewone Nederlandse echtgenoten belaagd, vrouwen mochten tot in de jaren 1960 niet werken als ze getrouwd waren en seksueel geweld in het huwelijk werd niet vervolgd. Mijn moeder droeg nog vaak een hoofddoek – dat was wel zo fatsoenlijk. Tot in de jaren 1960 werden homoseksuele mannen door de Nederlandse politie als potentiële kinderlokkers systematisch registreerde en lastigviel. De zgn. joods-christelijke humanistische beschaving heeft op veel punten wel erg lang op zich laten wachten. Vooral moslimmannen zullen die omslag veel sneller moeten maken, maar enig historisch besef kan in dit verband geen kwaad.
Verlies was er ook voor de migranten zelf. Zijzelf werden in de eerste plaats geconfronteerd met de negatieve sociale en economische gevolgen van slecht getimede immigratie. Zij hebben zelf het meeste last van de criminaliteit en overlast gevend gedrag van een deel van hun eigen nakomelingen. Een deel van de ouders heeft de greep op hun kinderen verloren, met soms heftige generatieconflicten tot gevolg. Overgekomen huwelijkspartners, zeker de vrouwen onder hen, hebben de grootste moeite de taal te leren en hun maatschappelijke isolement te doorbreken. Streng islamitische ideeën, of de interpretatie daarvan, belemmeren de bewegingsvrijheid van vrouwen in de openbare ruimte. Eerwraak, gedwongen huwelijken en verminking door besnijdenis komen in deze kring nog steeds vaak voor.
Natuurlijk is er ook culturele winst – denk alleen maar aan het eten, de restaurants, kleding, muziek, hamams die de migranten introduceerden, of aan de fenotypische biodiversiteit (‘mooie donkere mannen en vrouwen’), die door velen als een verrijking van onze cultuur worden beschouwd. Ze creëren ook nieuwe economische dynamiek met bijv. etnische winkelbuurten, dat bijdraagt aan een goed vestigingsklimaat voor hoog opgeleiden en bedrijven. En denk ook aan de vele musici en schrijvers uit allochtone kring. De eindconclusie van de parlementaire commissie over het integratiebeleid onder leiding van VVD-er Stef Blok uit 2004, was dat de integratie geslaagd was.
De gelovers van de mythe van het multiculturele drama waren geschokt, maar de feiten waren toch echt niet anders.
Dat alles neemt niet weg, dat iedere nieuwe migratiegolf zijn eigen nieuwe uitdagingen kent. En gegevens van het CPB uit 2003 relativeren het succes van niet-westerse immigranten aanzienlijk. Volgens CBS-statistieken figuren niet-westerse allochtonen teveel hoog in de verkeerde lijstjes: meer afhankelijk van sociale uitkeringen en vaker werkloos. Ex-vluchtelingen scoren zelfs slechter dan gastarbeiders in deze statistieken. Dat kan liggen aan ons restrictief vreemdelingenbeleid, maar dan moeten we daar dus wel iets aan doen.
Vergelijkingen met traditionele immigratielanden als de VS, Canada en Australië gaan mank omdat deze landen een zwakke verzorgingsstaat kennen – sociale uitkeringen zijn er laag of bijna afwezig, en veelal ontoegankelijk voor migranten.

De verliezers van immigratie zijn vooral de ingezetenen van het gastland die met de immigranten concurreren op de arbeids- en woningmarkt, zeker in een situatie waarin op beide terreinen aan de onderkant toch al enorme tekorten zijn. Immigranten voegen economisch gezien het meest toe als ze banen vervullen waarvoor niet genoeg Nederlanders te vinden zijn – maar dat matcht natuurlijk niet altijd, zeker niet zonder gerichte inspanning daarop. Asielzoekers zijn nu eenmaal geen arbeidsmigranten, al zitten die er (bijv. uit Servië, Albanië, Kosovo en uit West-Afrika) natuurlijk wel tussen verscholen. Niemand in het gastland heeft om hen gevraagd, en ze worden – terecht – niet geselecteerd op hun competenties – we hebben geen enkele invloed op wie er aan de poort klopt. Volgens het COA is ongeveer een derde van de nieuwe asielzoekers academisch (universitair) geschoold, een derde op hbo-mbo niveau en een derde lager of niet geschoold. Maar kwalificaties sluiten vaak niet aan bij de dingen die in Nederland gevraagd worden, en diploma’s worden niet zomaar erkend. De Syriërs die in het verleden (vooral tussen 1990 en 2006) naar Nederland kwamen blijken net zo vaak werkloos te zijn als leden van andere asielgroepen: 41% zat in 2013 in de bijstand. Na toelating als vluchteling heb je snel volledige rechten: bijstand, huur- en zorgtoeslag, AOW, sociale huisvesting, onderwijs, en gezinshereniging. Zolang ze in de bijstand zitten betalen ze geen belasting of premie. Arbeidsmigranten uit een ander EU-land moeten daar een jaar op wachten, en andere arbeidsmigranten zelfs 5 jaar. Vluchtelingen zitten gemiddeld lang in de bijstand- zo verblijft na 9 jaar of meer nog een kwart van de Afghanen nog steeds in de bijstand (bij de Irakezen is dat 31%, bij de Iraniërs 20%). Het aantal vluchtelingen met een baan stagneert na 12 jaar in Nederland op 52%.Van de vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië, die gemiddeld minder culturele verschillen met onze samenleving hebben, had in 2012 slechts 48% een betaalde baan (soms in combinatie met een uitkering) en zat 37% in de bijstand. Degenen die wel werken, doen vaak laag- of ongeschoold werk, ondanks soms hogere opleidingen. Veel ouderen zitten op bijstandsniveau en zijn afhankelijk van een pensioen aanvullende bijstandsuitkering.

Hoe het ook precies zal gaan met de huidige nieuwe vluchtelingen, het lijkt te makkelijk om aan te nemen dat deze per saldo meer bijdragen dan kosten, en dat ze zonder extra en gerichte inspanning hun weg kunnen vinden en onze vergrijzings- en andere tekorten op de arbeidsmarkt kunnen oplossen. Integendeel, er is extra geld nodig en dat kan ook best – we zijn één van de rijkste landen ter wereld – maar dan moeten we dus wel stoppen met de bezuinigingspolitiek en in duurzame groei gaan investeren, en ook niet financieren door te bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking, diplomatie en defensie (die juist preventief werken). Ook moeten we dat geld dan goed besteden en mensen zo snel mogelijk de procedure door laten lopen en zo snel mogelijk gericht en op maat aan werk en taalbeheersing helpen. En – last but not least – moet er vooral voorkomen worden dat er verdringing op de arbeids- of woningmarkt plaatsvindt, door het aanbod van banen en woningen drastisch en op korte termijn te vergroten. Zo niet, dan zullen de spanningen en maatschappelijke kosten torenhoog worden.

Sociale woningbouw moet daarvoor een forse impuls krijgen. De korting op de woningcorporaties moet worden omgezet in een investeringsverplichting. Er komt een nationaal programma voor extra sociale woningbouw met duidelijke targets. Voor toegelaten vluchtelingen komt er een noodprogramma met noodwetgeving om de doorstroming te bevorderen, met onder meer noodwetgeving om langdurig leegstaand vast goed te kunnen vorderen en ombouwen, en bestaande beperkende regelgeving tijdelijk buiten werking te zetten.
Er moet veel meer worden gedaan om veel meer werk te organiseren. Linksom! in de PvdA heeft laten zien in haar Plan voor de Arbeid & Solidariteit dat dit kan. Door een New Green Deal, door extra werk in de publieke sector te maken, door invoering van een 32-urige werkweek, door minder snel de pensioenleeftijd te verhogen, door arbeid veel minder en kapitaal veel meer te belasten, door een sociaal akkoord over baansplitsing aan de onderkant van de arbeidsmarkt, door specifieke maatregelen voor 45-plussers, jongeren en niet-westerse allochtonen, door een betere Participatiewet en door meer geld voor effectievere arbeidsbemiddeling. Vluchtelingen moeten zo snel mogelijk onze taal leren en onderwijs krijgen voor inzicht in en kennis over de Nederlandse samenleving. Daartoe is een apart plan nodig, met speciale aandacht voor het onderwijs aan kinderen van vluchtelingen en alleenstaande minderjarige asielzoekers. Volwassen vluchtelingen worden zo snel mogelijk aan werk geholpen. Daartoe moeten er een speciaal banenplan komen, vergelijkbaar met de Melkertbanen, in de publieke sector. Gemeenten krijgen daartoe fors extra budget. Inburgering moet weer publiek bekostigd worden, met betere opleidingen, en bij gezinshereniging moet dat weer in Nederland kunnen plaatsvinden.

Er moet daarnaast een speciaal programma komen gericht op het afnemen van de spanningen tussen moslims en niet-moslims. Waarbij aandacht wordt gegeven aan achterstelling en segregatie, maar ook het beter uitdragen en borgen van onze Europese waarden die zijn oorsprong vinden in de Verlichting, zoals tolerantie, pluriformiteit, vrijheid, democratie, mensen- en burgerrechten, non-discriminatie, rechtstaat en scheiding van kerk en staat. Externe en interne bedreigingen ondermijnen de fundamenten van onze Europese beschaving en cultuur. Dat moet bestreden worden door vooral meer debat en kennisverspreiding, bewaken van onze beginselen, door een inclusieve samenleving en door preventie. Geen War against terror maar een omslag van populistisch repressie denken naar preventie denken. Maar ook door handhaving van grenzen die juist ter bescherming van die waarden worden gesteld en door bescherming van burgers, die zich bij overschrijding van die grenzen bedreigd weten of voelen. Repressie als ‘last resort’, waarbij gewaakt wordt dat het middel niet erger is dan de kwaal. Democratie is ook kunnen leven met de pijn die je hebt van een andere opvatting dan de jouwe.
Racisme en discriminatie moet in ons land meer actief worden tegengegaan. Er moet een nieuw nationaal actieprogramma komen waarin de kritiekpunten uit het recente VN-rapport serieus geadresseerd worden: uitsluiting op de arbeidsmarkt, antisemitisme op de voetbaltribune en onder moslims, homohaat, vijandige politieke taal tegen moslims en Joden, xenofobie en migrantenhaat op internet, etnisch eenzijdig optreden van de politie, omslachtige juridische procedures tegen discriminatie. De overheid moet actief optreden: meer vervolging, meer steun aan slachtoffers, meer voorlichting en harder optreden tegen racistische en discriminatoire retoriek in de publieke ruimte.

Tenslotte
Onze politieke leiders moeten tenslotte veel meer moed tonen door draagvlak te organiseren voor meer, maar beter gereguleerde migratie en een effectiever migratiebeleid. En zichtbaar staan voor mensenrechten, het vluchtelingenverdrag en tegen racisme en discriminatie – zij moeten publiekelijk stelling nemen en hun burgers aansporen tot moreel burgerschap, humaniteit en empathie. Met een premier die daar aanwezig is, en zich niet verschuilt achter kul-argumenten dat je discriminatie nu eenmaal niet bij wet kan uitsluiten of dat hij al op heel veel plaatsen in het land is – maar nooit in een AZC, bij een vrijwilligers vluchtelingenproject, bij een diploma-uitreiking aan vluchtelingen …

Advertenties

Een gedachte over “Vluchtelingencrisis vraagt om ander beleid

  1. Uitstekend betoog, Gerard! Diverse aspecten die je langs laat komen, moeten nog goed worden besproken richting de praktijk en ook in de tijd verder worden uitgezet. Zijn we daar binnen onze partij voldoende op toegerust? Of moet het PB een actieve advies – en werkgroep instellen, die de soms schokkende actualiteit precies volgt? We moeten het compromis met de VVD op de hoofdlijn accepteren, om zo ons draagvlak onder de bevolking te kunnen versterken. Maar er mogen nooit eerste en tweede rangs (vanwege het vluchteling zijn) burgerrechten ontstaan, als een soort structureel gegeven. Je geeft dat ook duidelijk aan. Laten we wel als PvdA goed zichtbaar zijn en blijven op dit dossier!

    Louis Plas.

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s