Meer macht aan burgers en professionals is niet hetzelfde als meer macht aan gemeenten

linksom_01
Door:Gerard Bosman

In hun essay in de Groene van 25 februari jl. schrijven Pieter Hilhorst en Jos van der Lans dat de decentralisaties moeten doorgaan, omdat hun revolutie nog onvoldoende is gelukt: ‘Er is nog een lange weg te gaan, met maar één zekerheid: er is geen weg terug. Ze zijn het eens met Han Noten: het gaat ‘niet verkeerd’.

Het essay zelf geeft mij echter een bevestiging van mijn beeld: veel hervormingen werken contraproductief, met desastreuze effecten voor de betrokken burgers en werknemers. In de thuiszorg is er een ware kaalslag gaande, met zo’n 40.000 banen die aan de onderkant van de arbeidsmarkt verloren zijn gegaan, veel werknemers zijn gedwongen onderbetaald te werken in flex-constructies zonder zekerheid bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioen, en waar ze per minuut hun werk moeten verantwoorden. Eenzaamheidsbestrijding en signalering mag veelal niet meer als taken worden uitgevoerd – het werk is in plaats van meer integraal juist verder verkokerd. Indicaties zijn verworden tot Kafka-achtige taferelen. In de jeugdzorg nemen de klachten en wachtlijsten toe, zie onder meer de rapporten van de kinderombudsman en uit de jeugd-GGZ. Bij de uitvoering van de participatiewet worden uitkeringsgerechtigden voortdurend vernederd met respectloze behandeling, kortingen en geen hulp naar betaald werk, maar naar gedwongen werk met behoud van uitkering, soms volstrekt als pesterig tijdverdrijf, soms met verdringing van reguliere arbeid. Hilhorst en van der Lans spreken er niet over, ze hebben het niet over deze onderdelen van de decentralisatie, het lijkt wel alsof hun geloof in de operatie hun het zicht heeft benomen op wat er werkelijk gebeurt, juist aan de onderkant van de samenleving en bij mensen die afhankelijk zijn van goede zorg en hulp. Hoezo, het gaat niet verkeerd?

De hele verandering staat bol met jargon, ‘kanteling’, ‘decentralisatie’, ‘empowerment’, ‘transitie’ – allemaal woorden waar de burger niets aan heeft – die wil gewoon goede zorg, met respect behandeld worden, en effectieve hulp bij het zoeken naar werk. Het doet mij altijd denken aan de gevleugelde woorden van Jan Schaeffer: ‘in gelul kan je niet wonen’. De betrokken burgers en werknemers ervaren bijna alleen verslechteringen, ondanks alle prietpraat in landelijke én gemeentelijke beleidsstukken.

Zoals zo vaak met dit kabinet worden problemen goed gepraat of gemarginaliseerd. Met halve waarheden wordt een beeld geschapen dat buiten wat incidenten en ‘vanzelfsprekende’ invoerproblemen het eigenlijk best goed gaat. Er zijn geen grote ongelukken gebeurd, heet het, en dat wordt ook ‘een wonder’ genoemd – kennelijk is dat risico dan bewust genomen bij zeer kwetsbare mensen. Degenen die dat zeggen spreken niet met de soms letterlijk huilende burgers en medewerkers die in de praktijk de verandering ondergaan. Het zijn Haagse werkelijkheden. Dezelfde alpha male bestuurscultuur die we vaker zien bij grote overheidsprojecten: Iedereen in de ban van een half begrepen idee, nu de decentralisatie, en gecombineerd met een overhaaste, ondoordachte uitvoering. En wanneer het mis gaat? Blind koers houden, in een sfeer van ontkenning en intimidatie.

De gang van zaken bij de decentralisaties heeft alle kenmerken van een nieuw geloof, dat inmiddels breed gedragen wordt binnen onze partij. Een geloof dat geen ruimte laat voor een oprecht oog en oor voor inmiddels steeds manifester wordende averechtse effecten. Dat er geen echt onafhankelijk systematisch onderzoek naar de decentralisaties wordt gedaan, maar dat in plaats daarvan een driemanschap zonder enige kennis van de betrokken beleidsvelden, een puur politieke benoeming ter bescherming van een aangeschoten staatssecretaris, is ingesteld om te rapporteren over de decentralisatie, past in dit beeld. Hilhorst en van der Lans stellen dat Noten ‘geacht wordt’ de deskundige bij uitstek te zijn’, maar anders dan zijn benoeming tot voorzitter van deze commissie kan ik niets vinden dat deze stelling kan onderbouwen. Hilhorst en van der Lans zeggen het ook: ‘eigenlijk weet niemand precies hoe de stand van zaken echt is’. Waarom wordt dit niet onderzocht en gemonitord?
Hilhorst en van der Lans zijn oprecht in hun idealisme om de verzorgingsstaat te verbeteren, maar ook zij bagatelliseren wat er mis gaat. Zij beschrijven de decentralisatie als een machtsstrijd tussen het Rijk en de gemeenten, tussen het lokaal bestuur en de professionals, en tussen professionals en burgers. Daar zit direct ook een groot probleem, want dat zijn wel drie verschillende zaken die voortdurend op één hoop worden gegooid. Mij is nooit duidelijk geworden wat meer macht aan gemeenten bijdraagt aan meer macht aan professionals en burgers.

Het is een beetje het nieuwe geloof in de politiek, een nieuw kroonjuweel voor mijn PvdA: lokaal is beter. Nou, niet altijd dus. Lokale politici leiden een beetje (veel) aan zelfoverschatting als ze denken dat ze alles beter en goedkoper kunnen doen. Zij zouden wel eventjes de zorg voor meer dan de helft goedkoper en beter doen, nou dat hebben we geweten. De effecten van de bezuinigingen verdwijnen teveel uit beeld door het de gemeenten het te laten oplossen. Die effecten zijn vooral lokaal zichtbaar en voelbaar, landelijk onafhankelijk onderzoek is er zoals gezegd niet. De neiging zal zijn om gemeenten die een betere kwaliteit bieden maar duurder zijn uiteindelijk te nivelleren tot lagere niveaus van zorg en dienstverlening. Investeringen waar de kost voor de baat uitgaan, zullen steeds moeilijker zijn.

Volgens de auteurs is het de bedoeling van de mega-operatie om burgers meer zeggenschap te geven over de zorg en ondersteuning die ze krijgen, met minder paternalisme en een integrale aanpak op maat. Volgens mij is de drieslag in machtsoverdracht helemaal niet nodig, los nog van mijn waarneming dat belangrijke onderdelen juist overgedragen worden aan meer marktwerking – iets wat ik in het hele betoog mis.

Gemeenten zijn op het gebied van de zorg volstrekt niet toegerust, hun prestaties op het gebied van re-integratie naar werk zijn uiterst mager, hun democratische legitimiteit wordt bij iedere verkiezing verder uitgehold, er is nauwelijks kritische controle op hun werk bij gebrek aan lokale en regionale pers, en ze kennen hun burgers ook niet en vice versa. De kwaliteit van het gemeentelijk bestuur is niet zelden belabberd. Je vraagt je af waar het optimisme vandaan komt om het lokaal bestuur met meer taken tegen minder geld op te tuigen, anders dan narcistische zelfoverschatting bij gemeentelijke bestuurders.

Hilhorst en van der Lans verwijzen naar het feit dat er al vanaf het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw taken worden overgedragen aan de gemeenten ‘omdat het besef doordrong dat de nationale staat niet langer het turbovermogen had om vanuit Den Haag taken op het terrein van zorg, welzijn, wonen, milieu, economie en leefbaarheid tot in de haarvaten van de samenleving aan te sturen en voor te schrijven.’ Dat mag zo zijn, maar nergens wordt bewezen dat gemeenten dat wel of beter kunnen. Op ieder beleidsterrein zijn op onderdelen vast zaken te vinden die qua taakverdeling tussen de nationale en lokale (wel degelijk terecht aan te duiden als ‘lagere’) overheden beter kunnen, maar om te stellen dat een taakoverheveling naar gemeenten altijd en over de breedte beter is een onbewezen stelling en alleen gebaseerd op een dogmatisch geloof dat dit inderdaad zo zou zijn. Vooralsnog werken de huidige decentralisaties eerder als dieptepunt dan als hoogtepunt uit voor de meeste direct betrokkenen.

Ik snap het wel, het sluit aan bij romantische small-is-beautiful gedachten en de misstanden bij schaalvergroting en bij landelijk beleid en uitvoering zijn vaak groot. Maar je ziet nu de gemeenten juist opgaan in grotere verbanden om de uitdagingen aan te gaan – en zo komt de burger van de regen in de drup. Je moet eerst zorgen dat je zeker weet dat je op het jouw schaal aan kan en of de voorwaarden daarvoor voldoende zijn ingevuld. Vooralsnog vraagt dit in de meeste gemeenten eerder grote investeringen dan bezuinigingen.

Bovendien is volstrekt niet nagedacht (ik heb er tenminste niets over kunnen vinden) over de gevolgen van de opsplitsing van onze verzorgingsstaat over zo’n 390 gemeenten en het verlies aan nationale soevereiniteit dat daarmee gepaard gaat. De gevolgen voor burgers zijn veel groter dan bij de discussie daarover in EU-verband: anders dan over de binnengrenzen binnen de EU is er over de grenzen tussen gemeenten wel veel verkeer van personen: mensen verhuizen geregeld naar een andere gemeente en werken en wonen in verschillende gemeenten. Maar als je verhuisd moet je nu geheel opnieuw geïndiceerd worden en krijg je meer of minder hulp en zorg, en burgers die deze zorg nodig hebben zullen ook meer gaan wonen in gemeenten die meer geven en/of minder bureaucratisch zijn. Gemeenten die het goed of beter doen, moeten daarvoor dan dus de prijs van een aanzuigende werking betalen.

De verdedigers van de decentralisaties stellen vaak dat verschillen tussen gemeenten nu eenmaal het gevolg van die beleidskeuze is, en dat mensen geconfronteerd worden met de gevolgen van hun stemgedrag bij lokale verkiezingen. Ik onderken dat meer maatwerk inderdaad zal leiden tot meer verschillen, maar dan verschillen die gebaseerd zijn op verschillende behoeften aan zorg en hulp en aan verschillen in eigen mogelijkheden. Maar gemeenten onderling maken nu verschillen tussen gemeentelijk beleid op deze terreinen, verschillen die niets te maken hebben met maatwerk, maar (als je geluk hebt) met politieke prioriteiten op lokaal niveau, of omdat er verschil in kennis en netwerken is, of omdat er meer of minder (financiële) mogelijkheden zijn – bijv. omdat een gemeente wel of niet een keer de mist is ingegaan met grondaankopen.

Vaak verwijzen de gelovers in decentralisatie naar het feit dat de decentralisatie onvoldoende is doorgevoerd als oorzaak van huidige problemen, zo ook Hilhorst en van der Lans. Zij noemen dan voorbeelden van landelijke regelgeving die nu maatwerk belemmeren. Het is natuurlijk goed als de regelingen meer maatwerk mogelijk maken, ook door instanties als CJIB, UWV, SVB en Belastingdienst te dwingen maatwerk te respecteren, maar dan vooral voor de professionals en niet voor de gemeenten zelf. Bij de participatiewet ligt dit inderdaad deels anders, daar zou het inderdaad goed zijn als gemeenten zelf meer vrijheid krijgen, bijv. bij het toekennen van bijzondere bijstand, de vormgeving van re-integratie en de toepassing van kostdelersnormen. Maar ook hier kunnen landelijke regels, maar dan andere dan de huidige, ook helpen: denk aan een hogere vrijstelling voor bijverdiensten, en het beter waarborgen van de rechtspositie van de werkzoekende en uitkeringsgerechtigde, zoals tegenprestaties alleen verplicht kunnen stellen als die toetsbaar in dienst staan van re-integratie, niet oneindig kunnen voortduren en reguliere betaalde arbeid niet verdringen. Waarom zouden we gemeenten vrij laten om hierin te marchanderen?

Terecht wijzen Hilhorst en van der Lans erop dat er geen echte politieke discussie bestaat over hoe groot de ruimte moet zijn voor gemeenten, professionals en burgers om hun eigen oplossingen te kiezen en over wat de sociale infrastructuur zou moeten zijn om eigen kracht te stimuleren en zoveel mogelijk te waarborgen: ‘Dan moeten we onze uitkeringsregimes zo inrichten dat ze niet langer direct bestraffen, maar dat ze stimuleren als mensen zich dienstbaar tonen op het terrein van onderlinge zorg. Dan moeten we de fiscaliteit zo inrichten dat mensen voordeel kunnen hebben als ze zorgverantwoordelijkheid dragen. Dan moeten we onderlinge garantieregelingen mogelijk maken, fiscaal en juridisch nieuwe collectieve arrangementen op de kaart zetten.’ Omdat Hilhorst en van der Lans terecht constateren dat niets erop wijst dat ‘Den Haag’ daar echt werk van wil maken, zetten zij hun kaarten op de gemeenten. Maar de enkele zwaluw die daar te zien is (zelf noemen ze het voorbeeld van de SP-wethouder Vliegenthart in Amsterdam) maakt nog lang geen zomer – in de meeste gemeenten is het IJstijd en het kabinet dreigt de enkele zwaluw ook neer te schieten (zie de dreigende taal van staatssecretaris Kleinsma richting Amsterdam en nog zo’n 20 andere gemeenten die de tegenprestatie anders willen uitvoeren).

Voor veel zaken is het echter ook juist goed als er landelijke waarborgen bestaan, waar gemeenten dus niet van mogen afwijken – denk aan het gebrek aan regels over privacy en rechtsbescherming nu bij de gehele operatie (waarmee de rechtsstaat zelfs in het geding is), maar ook aan standaarden voor minimale kwaliteit en eerbiediging van fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. Als Hilhorst en van der Lans pleiten voor meer gemeentelijke ruimte om afspraken te maken met lokale werkgevers voor het plaatsen van mensen met een arbeidsbeperking in regulier werk, dan moet dat wel ingebed zijn in nationale waarborgen tegen verdringing en tegen papieren uitvoering, waarbij mensen die al werk hadden meegeteld worden om taakstellingen te halen, en waarbij fatsoenlijke, duurzame contracten tot stand komen.

En we moeten al helemaal niet denken aan uitbreiding van gemeentelijke belastingen: niet alleen leidt dit eerder tot minder dan meer werkgelegenheid , het ondermijnt de inkomensherverdeling van rijk naar arm en zal volstrekt onrechtvaardig uitwerken. Het CPB pleit in dit verband voor een (her)invoering van de gebruikersheffing van de OZB, die alle huurders en eigenaren betalen, en die varieert naar het profijt dat mensen hebben van gemeentelijke voorzieningen, bijv. je betaalt meer als je dicht bij een winkelcentrum woont. Dat zou bevorderen dat er goede gemeentelijke besluiten over het geld genomen wordt, alleen als mensen ergens profijt van hebben zijn ze ook bereid om meer te betalen en kan de gemeentelijke politiek daar geld voor heffen en besteden. Het is typische beleidsblubber van achter de tekentafel, compleet losgezongen van de praktijk. In de eerste plaats omdat mensen natuurlijk ook gebruik maken van voorzieningen die helemaal niet direct om de hoek liggen, denk aan een zwembad, een theater, sportvelden, een muziekschool, etc. – de ligging van je adres zegt dus niets over het profijt dat een huishouden heeft van lokale voorzieningen.

De meeste gemeentebesturen hebben bovendien de neiging om eerder de lasten te verlagen dan meer voor goede voorzieningen te betalen. Van die voorzieningen maakt altijd maar een deelpopulatie gebruik, terwijl iedereen de lokale heffingen betaalt. Gevoegd bij het algemene wantrouwen in politici scoort een gemeentebestuurder eerder als hij de gemeentelijke OZB verlaagt dan dat hij meer uitgeeft aan een theater. Zie ook de onderbesteding bij zeer veel gemeenten in het sociale domein, terwijl de verschraling van de zorg inmiddels tot schrijnende situaties leidt en de budgetten tot 40% zijn gekort. In sommige van deze gemeenten wordt zelfs tegelijkertijd de lokale belasting verlaagd. Er ontstaat dus een race naar de bodem, om zo laag mogelijke belastingen, tussen lokale politici, en daarmee met steeds mindere voorzieningen, juist voor kwetsbare burgers, die ook al minder gaan stemmen en de weinige openbare informatie kunnen vinden en begrijpen. Waar sommigen vergroting van het gemeentelijk belastinggebied als panacée zien voor de problemen in de lokale democratie en het lokale bestuur, zal naar mijn overtuiging dit de problemen daar alleen maar vergroten en meer zichtbaar maken.

Nee, het gemeentebestuur moet vooral gebaseerd blijven op medebestuur, waarin rijk en gemeente in onderlinge bevoegdheids- en taakverdeling samen aan het roer blijven. Dat is al moeilijk genoeg voor de gemeenten. Met de decentralisaties en zeker met meer gemeentelijke belastingen wordt het hele systeem uit het lood gebracht met funeste gevolgen voor kwetsbare burgers en werknemers. Een stap op de plaats en op sommige terreinen juist meer landelijke regelgeving is wat nu nodig is, naast natuurlijk echt meer structureel geld (in plaats van het huidige voortdurende, op incidenten gebaseerd, financiële plak- en pleisterwerk). En als je de lokale democratie en bestuur wil verbeteren, dan moet je daar niet op bezuinigen, maar juist in investeren.

Maar het probleem met de decentralisaties is nog fundamenteler. De termen eigen kracht en eigen regie ontaarden in de praktijk veelal in eigen verantwoordelijkheid. Hierbij wreekt zich hoe diep de neoliberale geest in de Nederlandse politiek is doorgedrongen, ook bij onze PvdA. De sociaal-democratie lijkt niet meer te geloven in collectieve actie om het individu te helpen te ontsnappen aan armoede, onveiligheid, onwetendheid. Ooit was dat geloof de drijfveer achter de opbouw van de verzorgingsstaat, met een zware verantwoordelijkheid voor de overheid om onderwijs, zorg, wonen en het pensioen voor iedereen betaalbaar en toegankelijk te houden. De bron van vrijheid lag in het succes van die collectieve actie die mensen in staat stelde tot een grotere grip op hun eigen lot. Niets heeft de mensen meer vrijheid gegeven dan de verzorgingsstaat.

Om af te dwingen dat mensen thuis ook meer voor elkaar gaan doen, wordt nu de norm voor ‘gebruikelijke zorg’ voortdurend verscherpt, al heeft dat al lang niets meer van doen met wat Nederlanders gewoon zijn om voor elkaar te doen. Waar de decentralisatie dus steeds meer verantwoordelijkheid bij de burgers legt om voor elkaar te zorgen, betekent dit geenszins dat de overheid terugtreedt. Integendeel, zij legt burgers op meer informele hulp te verrichten. En ze komt aan de keukentafel omdat af te dwingen. Het wordt gehouden onder de noemer maatwerk te kunnen verrichten, maar het zal altijd moeten leiden tot minder hulp, nooit tot meer.

Er zijn echter steeds minder mensen om thuis zorg te verlenen. Vrouwen zijn steeds meer gaan werken en Nederland staat al in de top-5 van landen met het meeste vrijwilligerswerk en mantelzorg in Europa. Er zit zoveel dogmatiek in het beleid, dat problemen niet worden onderkend: ‘thuis’ is een magische belofte geworden waardoor problemen niet mogen bestaan. De staat dwingt iedereen om zich thuis te voelen. Terwijl vroeger politici juist betoogden hoe belangrijk het was dat mensen niet langer afhankelijk van elkaar waren in de privésfeer, thuis, maar dat zij, indien nodig, op de overheid konden steunen. Nu moeten we echter leren niet afhankelijk te zijn van de overheid, en juist wél van thuis. Onder het toeziend oog van de overheid, dat wel. Een heel nabije overheid, tot aan de keukentafel.

Hilhorst en van der Lans wijzen er terecht op dat ‘Eigen Kracht’ van oorsprong als een alternatief besluitvormingsmodel bedoeld is om een dreigende interventie van de overheid buiten de deur te houden en de hulp naar eigen hand te organiseren. Maar in de meeste gemeentelijke uitwerkingen van ‘eigen kracht’, duikt het begrip in een heel andere context op. In de wijkteams die dicht bij de mensen in de buurten opereren verschijnt ‘Eigen Kracht’ formeel/expliciet als een in kaart te brengen eigenschap van burgers en informeel/impliciet als burgerplicht. Eerst moeten naasten (familie, vrienden, buren) in het geweer komen, dan vrijwilligers, en als sluitstuk (‘als het echt niet anders kan’) professionals. De eerste vertekening is dat ‘Eigen Kracht’ hier al losgemaakt wordt van het sociale netwerk, het wordt voorgesteld als een individuele kwestie. Pas daarna komt het sociale netwerk aan bod. Terwijl de rol van het sociale netwerk nu juist de essentie van de Eigen-Krachtaanpak vormt. Door deze vertekening wordt ‘Eigen Kracht’ snel een synoniem voor eigen verantwoordelijkheid.

Het beroep op het eigen netwerk en ‘Eigen Kracht’ is in de huidige opzet niet zoals de bedoeling was een alternatief, maar een verplichting, zo schreven Hilhorst en van der Lans. Het is niet een uitbreiding van de opties, maar een inperking ervan. Het kan zo gemakkelijk een uitsluitingsmechanisme worden. Mensen gaan dan een tegenstrategie ontwikkelen en de aanwezigheid van het sociale netwerk nadrukkelijk ontkennen. Een begrip dat oorspronkelijk een emancipatiekracht is, verwordt zo tot een premie op het etaleren van machteloosheid. Waar bij een Eigen-Krachtconferentie eigen initiatief wordt beloond (het kind wordt bijvoorbeeld niet uit huis geplaatst), wordt nu het nalaten van initiatief beloond (wie niemand heeft, wordt geholpen). In plaats van een beloning (meer eigen regieruimte) wordt er gewerkt met een straf (minder zorg).

De vraag moet centraal staan: hoe kunnen we burgers in staat stellen om met behulp van hun sociale netwerk meer greep te krijgen op hun eigen leven? Dat veronderstelt op zichzelf al vaak een andere mentaliteit, een andere gesprekstoon, een andere vorm van bejegening. Eigen Kracht is geen in te vullen hokje op een intakeformulier. Het is een ander besluitvormingsmodel. Het primaat ligt bij de burger. Het sociale netwerk is geen hulpbron die de gemeente kan ontlasten, maar die de positie van de burger sterker maakt. Dat vergt veel. Niet in de laatste plaats van burgers, maar het vergt ook een heel andere professionaliteit van de mensen in de frontlijn en een andere financiering van de publieke sector. Het gaat niet om een plicht, maar om een recht van de burger. Dan moeten we dat recht wil ook echt wettelijk willen verankeren.

Daarbij is het van belang om dit recht uit te breiden naar al die andere situaties waarin sprake is van mogelijke dwang. Dat zijn er veel. Denk aan dreigende huisuitzetting, het afsluiten van gas, water en energie, aan gijzelneming bij niet-betaalde boetes, aan wettelijk afgedwongen schuldsaneringstrajecten, aan gedwongen opname in de psychiatrie. Een netwerkplan of familiegroepsplan in deze situaties kan niet alleen voorkomen dat mensen in een uitzichtloze situatie geraken, het kan ook voorkomen dat de rekening voor de maatschappij hoog oploopt.

Voor de terreinen waarbij de overheid of publieke instanties niet ingrijpen maar ondersteuning bieden, moet een andere werkwijze worden gekozen. Hier is sprake van een fundamenteel spanningsveld tussen een financiering die gebaseerd is op noden en een logica die gebaseerd is op het belonen van eigen initiatief. In een financiering die gebaseerd is op noden kan iemand pas aanspraak maken op steun van de overheid als de nood hoog is. Als iemand een sociaal netwerk heeft dat ondersteuning kan bieden, is er in de huidige aanpak geen nood en dus geen reden voor overheidssteun. Dat leidt al snel tot een volgtijdelijke logica. Eerst kijken wat je zelf kunt en wat je netwerk kan, dan pas aankloppen bij de gemeente. Maar dit miskent volledig het feit dat de steun van het netwerk niet iets is wat je even afvinkt, niet iets is wat vanzelf tot stand komt. Bij een Eigen-Krachtconferentie is er vaak heel wat voor nodig om de familie bijeen te brengen. Familieleden hebben een geschiedenis met elkaar. Ze hebben vaak in het verleden tevergeefs geprobeerd te helpen. Het sociale netwerk weet ook maar al te goed hoe degene die een beroep op hen doet zelf de problemen over zich heeft afgeroepen. En het gezin met gestapelde problemen heeft vaak ook schroom om familie en vrienden in te schakelen. Hilhorst en van der Lans schreven in een eerder artikel al over iemand die helemaal geen zin had om haar netwerk lastig te vallen met haar sores. Ze is ook bang dat de hulp ongewenste verplichtingen schept. Zij wil daarom niet verplicht worden tot een Eigen-Krachtconferentie. En gelijk heeft ze. Een Eigen-Krachtconferentie moet geen verplichting zijn maar een uitbreiding van de mogelijkheden om een oplossing te zoeken.

Hilhorst en van der Lans beschrijven dit allemaal en wijzen erop dat gemeenten dit nu vaak anders doen, maar hopen er kennelijk op dat dit vanzelf weer goed komt. Onduidelijk blijft waarop zij dit optimisme baseren. De meeste gemeenten zijn hiermee helemaal niet bezig, als ze zich al van de problematiek bewust zijn. Ze wijzen zelf op het feit dat gemeenten moeite hebben om intern de verkokering te doorbreken, door sociale wijkteams voldoende bevoegdheden met budget voor maatwerk te geven, ook als het gaat om woningtoewijzing, bijzondere bijstand en schuldhulpverlening. En dat gemeenten te weinig doen om burgerinitiatieven te ondersteunen, bijv. door marktconforme huren te vragen aan maatschappelijke organisaties. In het huidige tijdsgewricht waarin neoliberale gedachten over eigen verantwoordelijkheid, bezuinigingen en een kleine overheid vanzelfsprekend zijn geworden, helaas ook binnen leidende kringen van onze PvdA, moet dit concept wel ontsporen als je niet heel expliciet wettelijke waarborgen daartegen schept. Hilhorst en van der Lans willen daar niet aan, want zulke waarborgen ondermijnen de gemeentelijke vrijheden. Maar ze zullen moeten kiezen wat nu echt belangrijk is: meer macht voor de gemeenten of voor burgers en – daarvan afgeleid – voor de professionals. De kaarten volledig inzetten op een enkele verlichte wethouder en het verspreiden van good practises zal onvoldoende blijken om de burger en de professional echt centraal te zetten. In de huidige praktijk staat helaas het budget centraal.

En overigens is enige vorm van paternalisme ook niet altijd verkeerd. Veel mensen in langdurige armoede en schulden kunnen de problemen niet zelf aan. Hilhorst en van der Lans hebben elders gewezen op de noodzaak om soms een uitkering deels in natura voor onderdak, zorg e.d., te geven. Maatwerk impliceert ook dat er serieus gekeken wordt of iemand in staat is eigen regie vorm te geven. Effectieve armoedebestrijding impliceert vaak ook gedragsverandering proberen te bereiken, en dat komt zelden vanuit de betrokkene zelf, hij moet daarin begeleid worden.

Een ander uitgangspunt van beleid bij de decentralisaties blijft ook onderbelicht: het uitgangspunt dat thuis zorg krijgen beter is. Wat betere zorg is, moet echter vooral ter beoordeling zijn aan degene die de zorg nodig heeft. Dat is past echt emanciperend. Uit recent onderzoek blijkt dat bij veel ouderen het klassieke verzorgingshuis nog steeds favoriet is. Liefst 20% van de huidige ouderen wil graag in zo’n beschermde woonvorm wonen, vanwege de 24-uurszorg/alarmknop en de gezelligheid van andere bewoners. Hun aantal groeit nog zeker 15 jaar door. Het idee was dat ouderen langer thuis moesten gaan wonen omdat dat betere levenskwaliteit en lagere kosten met zich mee zou brengen. Ouderen van nu zijn mondiger, meer divers in levensstijl en hechten meer aan eigen levensinrichting. Probleem is echter dat niet iedereen die keuze heeft. De toenemende vergrijzing leidt tot een sterke toename van de groep zeer ouderen, met complexere zorgvragen. Met name dementie is een sterk toenemende kwaal, die we nog maar nauwelijks begrijpen, laat staan kunnen genezen. Er zal daardoor een behoorlijke groep blijven bestaan waarvoor zorg thuis geen optie is. Maar de verpleeghuizen sluiten nu al snel complete afdelingen en zelfs huizen, mede onder druk van de zorgverzekeraars en de door het Rijk opgelegde bezuinigingen. Tegelijkertijd erkent het kabinet eindelijk dat er ook een kwaliteitsprobleem is met deze verpleeghuizen. Het actieprogramma om herin verbetering te brengen is echter zwaar onder de maat. Het richt zich vooral op bijzaken, terwijl er soms nu ook schrijnende misstanden zijn. Daarnaast heeft niet iedere oudere een eigen sociaal netwerk en/of eigen middelen om een dure serviceflat te kunnen betalen, waar aan huis zorg en hulp verleend wordt. Veel ouderen dreigen daardoor nu eenzaam weg te kwijnen in een bovenwoning met het minimum of zelfs geheel geen gemeentelijke zorg. Eenzaamheid onder ouderen is al een zeer groot probleem.

Veel gemeenten stellen net als de Rijksoverheid vooral de bezuinigingen zeker, maar laten weinig zien op het terrein van de kwaliteitsverbetering voor die zorg thuis. De patiënten-federatie NPCF meldt dat de gevolgen van de bezuinigingen zich duidelijk aftekenen, maar dat er nog geen begin te zien is van de beoogde verbetering van de zorg en hoe de langdurige zorg er voor de mensen straks uit zal zien. De exploitatie van oude verzorgingshuizen blijkt in de praktijk nu nog maar lastig vol te houden omdat de kostprijs voor een individuele wooneenheid vaak hoger uitvalt dan toen het nog collectief werd gefinancierd. Ook nieuwe zorgvormen aan huis blijken zonder extra subsidie vaak niet rendabel of betaalbaar aan te bieden. Er is berekend dat inmiddels er al een tekort van 30.000 plaatsen is voor beschut wonen voor ouderen.

Als we werkelijk de zorg en hulp aan mensen wil veranderen door hun zelf meer invloed te geven, en door de professionals ontkokerd, op maat, en op een emanciperende wijze te laten werken, dan moeten we in de eerste plaats de marktwerking uitschakelen. Dan heb ik het niet alleen over de zorgverzekeraars (die nu de wijkverpleging en – samen met de SVB en gemeenten in een idioot complex stelsel van meer tegen- dan samenwerking – de PGB’s in de care moeten regelen) die gewoon weer zouden moeten werken als regionale ziekenfondsen (maar dan voor de hele bevolking en met meer zeggenschap van de burgers), maar ook over de aanbestedingsconstructies met zorgverleners met winstdoelstellingen en over de vele ondernemingen die winst maken over de ruggen van kansarmen bij re-integratieactiviteiten en allerlei bemiddelingsconstructies. De publieke zaak moet weer terug veroverd worden op de markt. Door de financiering in de zorg weer grotendeels via publieke, regionale zorgverzekeraars te laten lopen hoeft de gemeente daar helemaal geen rol in te spelen.

Maar eenmaal in die publieke sfeer moeten burgers rechten worden gegarandeerd om hun zelfregie te kunnen uitoefenen, met recht op maatwerk en een integrale aanpak, met recht op voldoende kwaliteit en effectiviteit, met voldoende rechtsbescherming en privacybescherming. Daarbij moeten de professionals dan ook verlost worden van landelijke én gemeentelijke regels die hen daarbij beperken, en een fatsoenlijk arbeidscontract met bijbehorende beloning krijgen. Wijkteams worden dan ook verplicht goed gepositioneerd om bureaucratie af te breken en sociale veerkracht van burgers te bevorderen, met veel mandaat, en een goede, doorleefde voorbereiding van de leden van de wijkteams. Dat vraagt ook eerst investeringen, die zich slecht verdragen met de huidige bezuinigingen. Bovendien leiden de bezuinigingen tot extra beduchtheid bij gemeenten om budgettaire mandaten uit handen te geven en aan professionals in de wijkteams over te dragen.

En dan zal blijken dat ook in dat model er – na een initiële investering, de kost gaat ook hier voor de baat uit – er structurele aanzienlijke besparingen te realiseren zijn in de zorg. De landelijke opererende stichting zonder winstoogmerk Buurtzorg laat in de thuiszorg al zien hoe je zelfs landelijk actief kunt zijn, veel betere kwaliteit én een fatsoenlijke rechtspositie, met een ongekend hoge tevredenheid bij klanten en medewerkers, met veel minder bureaucratie en met minder geld dan veel organisaties die gebukt gaan onder enorme overheadkosten. En een wethouder of gemeenteambtenaar voegt daar weinig tot niets aan toe.

Bovendien zou je de zorgfinanciering veel meer inkomensafhankelijker moeten maken. Het is inderdaad onzin om voorzieningen of thuiszorg te betalen aan mensen die dat gemakkelijk zelf kunnen betalen. De inkomensafhankelijke zorgpremie uit het huidige regeerakkoord werd echter bij de eerste oprisping van de VVD-achterban al weer afgeblazen. Rutte had weliswaar zijn woord aan Samsom gegeven, maar dat was kennelijk even niet belangrijk.

Allemaal maatregelen waarmee de PvdA afscheid neemt van een onzalige neoliberale uitwerking van een ooit goed bedoeld idee. Net als bij de plannen voor meer werk en minder ongelijkheid is een radicale breuk nodig met dit averechts uitpakkende kabinetsbeleid. Want er is daarin maar weinig om trots op te zijn, en er zijn wel degelijk andere, betere alternatieven beschikbaar. Er is misschien geen weg terug mogelijk, maar wel een weg linksaf!
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s