De financialisering van de sport

Het is volop Sportzomer – op radio, tv en sociale media kan je de topsport niet missen, het is onontkoombaar. Sport is mateloos populair, bijna iedereen lijkt te kijken en te volgen. Door reclame en merchandising kan er met sport dan ook veel geld verdiend worden. Door een kleine groep sporters dan, en door sportmakelaars, reclamebedrijven en hun opdrachtgevers.

Voetbal is nog steeds de grootste sport, daar gaat dan ook het meeste geld in om. Foppe de Haan (‘ik ben een sociaal-democraat hè’, welk woord hij associeert met ‘solidariteit, zorg voor elkaar, delen, gelijke kansen’) ziet de veranderingen in het voetbal met zorgwekkende verwondering aan in het Zomermagazine van de Volkskrant van 6 augustus jl. ‘O ja. Geld. Geld is leuk, maar geld maakt veel dingen niet leuk. Ik kan het de jongens niet kwalijk nemen, maar kijk eens naar de salarissen. Kunnen ze dat waard zijn? Het stuit me tegen de borst. Ik ben sociaal-democraat hè, ik vind dat alles zo veel mogelijk eerlijk moet worden verdeeld. Maar dat is in het voetbal niet zo. Dat ergert me.’ Waarop de interviewer (Paul Onkenhout) vraagt: ‘Het geld misvormt ook, toch?’ Foppe de Haan: ‘Als je 18 bent en een miljoen verdient, ga je idiote dingen doen. De kans dat het misgaat, is groter dan de kans dat het goed gaat.’

De ongelijkheid neemt toe, ook in de sport en zeker in het voetbal. Niet alleen binnen een team, maar ook tussen de teams. Sport is gebaseerd op prestaties en concurrentie, dus enige vorm van ongelijkheid is goed, anders is er geen competitie. Maar als de ongelijkheid in kansen te groot wordt, door vooral te grote verschillen in financiële mogelijkheden, dan is de spanning en de competitie juist weg. De enorme financiële ongelijkheid in onze hedendaagse wereld heeft naast miljarden armen ook een klasse van ongekende superrijken opgeleverd. Zij kopen clubs en sporters en kopen dus hun steeds zekerder wordende overwinningen. Dat verpest niet alleen levens van jonge talenten, maar ook de competitie.

Waar heel veel geld omgaat komt uiteindelijk ook corruptie, nepotisme en (georganiseerde) criminaliteit binnen. Doping en matchfixing, gekoppeld aan het uitbuiten van gokverslaving, is wijdverspreid in de sport. Bij voetbal komt daar nog bij het geweld van supporters: vandalisme, mishandeling, bedreiging, racisme, antisemitisme, vaak met een mix van teveel alcohol en drugs – het is eerder regel dan uitzondering. Het lijkt wel het ‘nieuwe normaal’ – niemand doet er echt wat aan en veel jongeren zullen dan ook die conclusie trekken. Voetballers geven geregeld zelf ook het slechte voorbeeld – zowel op als buiten het veld. Bestuurders en makelaars vullen hun zakken en liegen erop los – zie de verwikkelingen bij FC Twente, maar ook bij de UEFA en de FIFA. Ieder normbesef lijkt te zijn verdwenen in de enorme geldbedragen die tegenwoordig in het voetbal omgaan.

Veel sporters en sportbestuurders willen desalniettemin dat hun sport het voetbal achterna gaat. Ze noemen dat professionalisering. De Olympische Spelen waren vroeger van de amateursporters, je mocht (nauwelijks) geld verdienen aan de sport. Al snel werd er vals gespeeld, met name door de communistische landen, met de Sovjet-Unie en de DDR (Oost-Duitsland) voorop. Ze gaven de sporters een betaalde fake-baan en alle faciliteiten (inclusief doping), om met bedrog te kunnen bewijzen dat het communisme betere mensen en sporters produceerde dan het kapitalisme. De sporters daar hadden toen ook al geen keuze: als je niet mee wilde doen, dan werd je niet geselecteerd (en als staatsgevaarlijk risico verder in het leven op zijn minst tegengewerkt). Na de val van de Muur is het kapitalisme volop los kunnen gaan in de Olympische beweging. Betaalde profs maken nu de dienst uit. Arme landen maken steeds minder kans op een medaille en nationalisme brengt sommige landen steeds meer tot nog meer investeringen in betere prestaties. Het oude ideaal van de oprichter van de moderne Olympische Spelen, ‘meedoen is belangrijker dan winnen’, lijkt verder weg dan ooit. Maar voor steeds meer arme landen en sporters is meedoen wel het hoogst haalbare geworden. In de jacht op medailles en internationaal prestige zijn eerlijkheid en gezonde wedijver – de kernwaarden van de Spelen – onder druk komen te staan.

Het onlangs onthulde staatsdopingprogramma van Rusland was daarbij wederom een overtreffende trap in deze trieste sportontwikkeling. De staat verplichte en organiseerde met behulp van de eigen geheime dienst een enorme fraude en oneerlijk spel. Het laatste woord is er nog niet over gezegd. Het IOC durfde een totale boycot niet aan en verkiest Realpolitik boven ethiek: uitsluiting van Rusland vanwege het dopingschandaal, zou een ‘nucleaire optie’ zijn, met onverantwoord veel schade. De belangen van een evenement met deelname van meer dan tienduizend sporters en miljarden aan tv-rechten en sponsorgelden zijn immens en winnen het van de moraal.

Guus van Holland signaleert in NRC van 5 augustus jl. dat sporters tegenwoordig winnaars worden, niet zoals een halve eeuw of langer geleden alleen op eigen kracht, met Spartaanse trainingen en gesterkt door een topsportdieet van levertraan en bruine bonen, maar begeleid door een team van fysiologen, psychologen, neurowetenschappers, voedingsdeskundigen, leefstijlcoaches en andere zichzelf als deskundig kwalificerende mensen. In Nederland worden de olympiërs bijgestaan door het zogenoemde Sports Science & Innovation, dat ‘bruggen bouwt’ tussen wetenschap en sport. De organisatie is gevestigd op Papendal, het zenuwcentrum van de Nederlandse topsportbeweging. Wie daar een kijkje gaat nemen, wordt geconfronteerd met jonge mensen die het hoogste willen bereiken in hun fysieke mogelijkheden. Ze zijn (draadloos) verbonden met computers die elke inspanning meten en ze worden na elke beweging geanalyseerd op wat zich in hun lijf en geest openbaart. Waar kan het sneller, waar hoger, waar niet, waar is de grens van lichamelijke én mentale mogelijkheden bereikt? Is er een grens?

Met enig cynisme wordt Papendal wel een medaillefabriek genoemd, zoals de DDR die vroeger heimelijk had in Kienbaum. Papendal is in vergelijking met Kienbaum (en andere centra in de voormalige Sovjetstaten en mogelijk de Verenigde Staten en China) transparant en toegankelijk. Maar met enige huiver mag ook de topsportontwikkeling in Nederland best worden bekeken. Waar ligt de grens? Waar houden de menselijke mogelijkheden op, waar begint de ontmenselijking? Wat is de zin van medailles halen? Waarom zo veel mogelijk medailles? Waarom wil het overkoepelend olympisch orgaan (gevoed door de overheid en sponsoren) dat Nederland tot de top-tien van de wereld behoort? Gaan we dan allemaal de straat op, claxonnerend in onze auto’s, vlaggend en zingend dat we zo goed zijn als Nederlandse staat?

In de Tour de France zagen we renners en vooral winnaar Chris Froome voortdurend op het metertje op hun stuur kijken. Er werd gedemarreerd, maar Froome reageerde niet meteen. Hij zag waarschijnlijk dat hij aan zijn bereik (wattage) zat, dan wel werd hij via zijn ‘oortjes’ van afstand gesommeerd geen trap te veel te doen. Verder reikten zijn fysieke mogelijkheden niet, zoals in eerdere tests in laboratoria al was vastgesteld. Samen met de ‘oortjes’, waarmee de teamleider alle leden van de wielrenploeg live aanstuurt en informeert, en het opkopen van sterke teamleden, maakt het de Tour de France tot een geplande beheerste onderneming – alleen valpartijen verstoren het vooraf bedachte en met miljoenen euro’s gefinancierde plan.

Peter Blangé, winnaar van olympisch goud in 1996 met het volleybalteam, oud-bondscoach en nu medewerker van Team NL Innovation Center waar hij zich bezighoudt met topsportmonitoring en innovatie, zei in Trouw: „Over twintig jaar kijken wij op deze tijd terug als het stenen tijdperk. We gaan een tijd meemaken dat iedere atleet een plakkertje op krijgt en dat we alles weten. Denk aan nanotechnologie en wat daar allemaal mee kan.” Kijken we straks nog wel naar mensen, of naar kundig geprogrammeerde robots? En als de prestaties toch al met alle mogelijke middelen worden opgerekt (technologie, materiaal, psychologie, geld), waarom dan niet ook met een pilletje of injectie – nu taboe volgens alle reglementen en ervaren als onsportief?

De dopinginnovatie gaat ondertussen door. In een voortdurende wedloop met de dopingcontroleurs. Gendoping lijkt onafwendbaar. Door genetische manipulatie kunnen sportprestaties ultiem beïnvloed worden, zonder dat het traceerbaar lijkt. Met name genen die kracht en uithoudingsvermogen bevorderen komen in aanmerking om gemanipuleerd te worden. Deskundigen denken dat het nu nog niet wordt toegepast. Maar tegelijkertijd wordt erkend dat de wetenschap op dit terrein – welke genencombinatie geeft de beste prestaties? – voortschrijdt en dat met name in landen met autoritaire regimes wij geen zicht hebben op wat daar allemaal op dit gebied gebeurt. En dat het onvoorstelbare vaak wel gebeurt is nu wel gebleken na de onthullingen over het Russische dopingprogramma. Mensenlevens bij experimenten gelden in dat soort landen minder. Het nationale belang gaat voor.

Sommigen stellen zelfs voor na het opheffen van het verbod op betaalde sporters, nu ook het verbod op doping op te heffen. Max Pam schreef in de Volkskrant op 20 juli jl. ‘Rozen verwelken en schepen vergaan, maar fraude met doping blijft altijd bestaan.’ Hij citeert Tim Krabbé die al stelde dat doping juist oneerlijke verschillen verkleinde en zorgt voor gelijke kansen: ‘De een heeft meer talent dan de ander – dat is niet eerlijk. De een is veel langer dan de ander en kan daardoor beter basketballen – dat is niet eerlijk. De een kan beter denken dan de ander en kan daardoor beter schaken dan de ander – dat is ook niet eerlijk. Met langere benen spring je verder, met een gestroomlijnde borstkas zwem je harder, allemaal competitie-vervalsende factoren die geëlimineerd moeten worden om het eerlijk te maken. Doping is juist bij uitstek de methode om de sport eerlijker te maken. Met doping kan ook eens iemand winnen met weinig talent. Dat is wel zo eerlijk.’ Deze cynische beschouwing illustreert waar de dopingwedloop uiteindelijk toe kan leiden.

Het Russische dopingschandaal illustreert ook goed dat politiek en sport natuurlijk veel met elkaar te maken hebben, all ontkenningen van sporters en politici ten spijt. De Olympische Spelen bieden een treffende geschiedenis hiervan. Je belandt via Beijing 2008 (mensenrechten) en de boycots van Moskou 1980 (Russische inval Afghanistan) en Melbourne 1956 (Suez-crisis, neerslaan Hongaarse opstand) en de nazi-Spelen van 1936 bij, warempel, de allereerste Spelen in de moderne tijd. In 1896 ging het in Athene gelijk al mis. Het internationalistische gedachtegoed van initiatiefnemer Pierre de Coubertin ten spijt waren de sporters verplicht aan te treden in hun nationale tenues. Voor de winnaars werd de nationale vlag gehesen en hun nationale hymne gespeeld. Dit ondanks Artikel 6, Olympisch Handvest: „De Olympische Spelen zijn competities tussen atleten in individuele of teamevenementen en niet tussen landen.” Cruciale weeffouten, dus. De Coubertin werd gedreven door Franse revanchistische (vooral anti-Duitse) gevoelens en zag de sporter toch in weerwil van alle retoriek toch in de eerste plaats als een vertegenwoordiger van zijn land.

Auke Kok beschreef het al keurig in 2014 in NRC ter gelegenheid van de frauduleuze Winterspelen in Sotchii (de Spelen waar onze Koning een biertje dronk met de organisator van de staatsdoping, president Poetin, die direct na de Spelen de Krim binnenviel): De toon voor de moderne Spelen was gezet: alles was politiek. De Olympische vlaggen met hun vijf ringen als verbinding tussen de vijf continenten, introduceerde Baron de Coubertin pas in 1912 in Stockholm. De nationale vlaggen waren eerst. Gezien het belang van nationale sentimenten is het niet zo verwonderlijk dat de Duitsers acht jaar later geen uitnodiging kregen voor de Spelen van 1920. De aanwezigheid van de ‘agressors’ van de Eerste Wereldoorlog werd niet passend geacht op de vredelievende Spelen – al helemaal niet omdat de Spelen uit compassie met het Vlaamse slagveld tussen 1914 en 1918 aan Antwerpen waren toegewezen. De agressors uit Oostenrijk, Hongarije, Bulgarije en Turkije werden eveneens geboycot door het IOC. In 1924, zes jaar na het verlaten van de loopgraven, hetzelfde liedje. Dat heeft historici tot de mening gebracht dat niet de totalitaire regimes, maar juist de democratische naties de eerste waren om de Olympische gedachte te misbruiken voor politieke doeleinden.

De communistische leiders van de Sovjet-Unie beschouwden de Spelen als ‘bourgeois’ en zouden pas in 1952 deelnemen. Zo beschouwd waren de pompeuze nazi-Spelen van 1936 geen op zichzelf staand verschijnsel, maar veel eerder een voortborduursel van wat al in 1896 was ingezet. Je zou de door regisseur Leni Riefenstahl geromantiseerde Spelen van Hitler haast kunnen zien als een boemerang voor alle keren dat Duitse sporters en begeleiders in de veertig jaren daarvoor waren gepest. Zo werden zij bij aankomst in Parijs voor de Spelen van 1900 compleet aan henzelf overgelaten en moesten ze urenlang door de stad lopen om het sportterrein te vinden. Dankzij de Spelen in Berlijn kon Duitsland zichzelf op de kaart zetten als een sportief succesvol, gastvrij en uitstekend organiserend land, en met de veel bekritiseerde Jodenvervolging leek het plotseling ook wel mee te vallen. Sinds de nazi-Spelen is alles massaler geworden, zijn er meer Olympische symbolen, zoals de fakkelloop vanuit Olympia, is het samenstellen van een rangorde van gewonnen medailles per land gewoon, net als het streven naar economisch gewin. Met de moderne Spelen gaf Pierre de Coubertin de wereld zijn eerste grote, grensoverschrijdende sporttoernooi. Een evenement dat eerder een middel dan een doel was. Deelnemen is in werkelijkheid nooit belangrijker geweest dan winnen, en nu sportbeoefening inmiddels op alle continenten als heilzaam voor de jeugd wordt gezien, is het oorspronkelijke ideaal van De Coubertin een lege huls geworden. Er wordt geen vrede gesticht met de Spelen, er wordt gestreefd naar nationaal prestige en een bloeiend toerisme. “

Het bracht Auke Kok in 2014 tot de conclusie dat de sporters op de Winterspelen van Sotchii onderdeel waren van Poetins propagandamachine, of zij dat nu leuk vinden of niet. Net zoals de sporters dat bij vorige gelegenheden waren. Helemaal niet vreemd dus dat de Russische regering naar schatting vijftig miljard dollar uitgaf om van de Winterspelen een fraai politiek visitekaartje te maken. Het past in de Olympische traditie. De Nederlandse voetballers kunnen zich straks bij het wereldkampioenschap voetbal in Rusland ook niet verschuilen achter de illusie van een scheiding tussen sport en politiek. Ook zij zullen worden gebruikt door Poetin. Peter Winnen dacht in NRC bij de naam Poetin bijvoorbeeld aan Aleppo: ‘Hoe de mensheid zich daar op een geweldige manier verenigt’. Zelf denk ik vooral aan de groene mannetjes op de Krim en in de Donbas, en aan het neerschieten van de MH-17. In toenemende mate zullen de Spelen en andere grote sportevenementen alleen nog gefinancierd kunnen worden door autoritaire regimes. De corrupte banden tussen grote sportbonden, het IOC en deze regimes staan borg voor evenementen in Qatar, Moskou en Beijing.

Het wordt tijd dat we ook in de sport weer terugkeren naar normale verhoudingen, met minder ongelijkheid, minder financialisering, en minder nationalisme. Een beetje Piketty en sociaal-democratie kan al heel louterend zijn. Ook dan kan je heus nog een leuke en professionele sportwedstrijd spelen en bekijken. De best bezochte sportwedstrijd in Friesland bewees dit onlangs weer: de kaatswedstrijden waren weer top. Foppe de Haan zal het er zeker mee eens zijn. U ook?

Gerard Bosman

Advertenties

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s